Over het onderzoeksproject

OOF-PROJECT EVALUEREN IN HET HOGER KUNST- EN ONTWERPONDERWIJS

Valt er over ‘smaak en kleur’ te discussiëren? Hoe geef je een cijfer op artistiek werk? Verloopt evaluatie in kunst- en ontwerponderwijs anders dan bij andere disciplines en, zo ja, hoe dan precies? Of verschilt het maar een weinig of niet van evaluatie bij niet-artistieke disciplines? En wat kunnen deze laatste van het kunst- en ontwerponderwijs leren?

Deze en andere vragen werden onderzocht in een project van het Onderwijsontwikkelingsfonds (OOF) van de Associatie KU Leuven dat tot doel heeft het inzicht in evalueren binnen de context van het hoger kunst- en ontwerponderwijs te vergroten en de evaluatiepraktijken aan te scherpen.

Situering van het onderzoeksproject

Het project beoogt de ontwikkeling van een instrumentarium ter ondersteuning van de beoordeling van artistieke ontwerpprocessen en -producten, en dat binnen het kader van het competentiegericht opleiden in het Hoger Kunst- en Architectuuronderwijs. Het vertrekt vanuit een scherp aangevoelde nood aan heldere kwaliteitsindicatoren en -parameters bij de beoordeling van geïntegreerde en creatieve multidisciplinaire leerprocessen en -producten, eigen aan artistieke en ontwerpgerichte opleidingen als beeldende kunst, design, architectuur en podiumkunsten.

Het kan niet de bedoeling zijn de zekere mate van ‘subjectiviteit’ die bij de beoordeling van artistieke (ontwerp)processen en -producten komt kijken, uit te sluiten of op te sluiten in een matrix. Het is wel de uitdrukkelijke bedoeling om die mate van subjectiviteit te ‘objectiveren’, d.w.z. ze te kaderen, te verhelderen, te expliciteren.

In die zin kan het kader en instrumentarium dat het project beoogt te ontwikkelen prototypisch zijn voor de beoordeling in andere academische opleidingen, waar het karakter van de beoordeling op het eerste gezicht eenduidiger lijkt, maar bij explicitering ervan even problematisch kan zijn.

Een kader wordt ontwikkeld waarbij toetsvormen waarin’ leren beoordelen’; van beginnend mede-beoordelaar tot professioneel beoordelaar aan de orde is. Dit laatste om het ‘leren leren’ principe te ondersteunen.

Zo wordt een eigenstandige visie ontwikkeld op een competentiegericht beoordelen binnen het artistiek onderwijs en worden de implicaties op andere kenmerken van het onderwijscurriculum beschreven; geconcretiseerd in aanbevelingen voor kwalitatieve ECTS-fiches voor de betrokken opleidingsonderdelen.

Promotor: José Depuydt – Hogeschool voor Wetenschap & Kunst

Doelstelling

De aanvankelijke ambitie om een instrument te ontwikkelen dat door alle docenten inzetbaar is bij elke artistieke evaluatie, werd bijgesteld naarmate het onderzoek vorderde. Een pasklaar antwoord voor de vele vragen die gaandeweg rezen, was er niet en het was al helemaal niet in een matrix te gieten die alle vragen, onduidelijkheden en dubbelzinnigheden zou oplossen tot hét correcte cijfer voor de student.

Het leek steeds minder relevant een zoveelste afvinklijst of voorschrijvend protocol op te stellen, dat bedacht was vanuit een louter theoretisch en onderwijskundig kader. Gaandeweg bleek het veel belangrijker om een inzicht te krijgen in de evaluatiepraktijken van het artistiek onderwijs om ze van daaruit scherper te stellen. Veeleer dan op een instrument werd er dus gemikt op een duurzaam kader dat het inzicht expliciteert. Het moest bovendien voldoende ruimte laten voor de eigenheden van artistieke of ontwerpdisciplines en van de beoordelaars of de concrete beoordelaarssituatie zelf.

Probleemstelling en kader

De projectgroep – met vertegenwoordigers uit vijf kunst- en ontwerpdepartementen – werd van bij het begin geconfronteerd met de specificiteit van evalueren in kunst- en ontwerpdisciplines. In alle departementen was er in de loop van de jaren intuïtief naar oplossingen m.b.t. evalueren gezocht – in enkele waren er bijvoorbeeld ijkingskaders opgesteld, maar er was een algemeen gevoel dat het evalueren zijn eigen wetten had en aan een soort beheersbaarheid ontsnapte. Het vertrekpunt van dit OOF-project was daarom de scherp aangevoelde nood aan heldere kwaliteitsindicatoren en -parameters bij de beoordeling van leerprocessen en producten in opleidingen audiovisuele en beeldende kunst, design, architectuur en podiumkunsten.

Het onderwijskundig kader was de competentiegerichte benadering. In die pedagogische context spitste de interesse zich voornamelijk toe op de paradigmawissel van het evalueren VAN het leren naar het evalueren VOOR het leren en op de idee dat studenten vooral begeleid moeten worden in hun zelfsturing en dus in hun vaardigheden om eigen werk te kunnen beoordelen op zijn merites. De projectgroep ervaarde die pedagogische opvattingen als relevant voor het kunst- en ontwerponderwijs.

Aanpak van het onderzoeksproject

Tijdens de hele looptijd van het project bestudeerde de projectgroep literatuur, en met name algemene onderwijskundige literatuur over assessment in competentiegericht onderwijs, literatuur over assessment in het kunstenveld en literatuur waarin instrumenten voor de beoordeling van artistieke processen en producten worden voorgesteld en geanalyseerd. Tijdens het eerste jaar werden verkennende jury-observaties gehouden en werd in beeld gebracht wat er leefde bij studenten en docenten.

JAAR 1

Tijdens het eerste jaar werd er een enquête opgesteld die een beeld gaf van wat bij studenten en docenten leeft met betrekking tot evalueren. Daarbij werd een onderscheid gemaakt tussen het in kaart brengen van de huidige en van de gewenste situatie. De resultaten konden als indicatief (hypothesegenerend) beschouwd worden. In algemene zin kon worden gesteld dat binnen de verschillende kunstdepartementen formele technieken van assessment waarbij de evaluatie is gericht op het geheel van competenties van de student niet systematisch voorkomen. Ook voorbeelden van self- of peer-assessment kwamen niet systematisch voor.

Tijdens die eerste fase werden ook verkennende jury-observaties gehouden. De leden van de projectgroep observeerden een evaluatiesessie in hun eigen departement en rapporteerden daarover aan de andere leden van de projectgroep.

De leden van de projectgroep werkten ook acht thema’s uit, die ze voorlegden aan collega’s uit hun eigen departement, verzameld in een focusgroep. De fiches, waarin de bevindingen werden samengevat, behandelden:

1.    theorie versus praktijk bij vakoverschrijdend leren,
2.    techniciteit versus artisticiteit,
3.    communicatie rond criteria en inbreng van de student,
4.    objectiviteit, subjectiviteit en intersubjectiviteit,
5.    evaluatievormen en argumentatie,
6.    summatief versus formatief evalueren,
7.    competentiegericht leren en leren via gedragsindicatoren,
8.    de eigen inbreng van de student via self-, peer- en co-assessment.

JAAR 2

Tijdens het tweede jaar van het project werd onder leiding van Lies Declerck een vergelijkende gevalstudie uitgewerkt. Ze observeerde aan de hand van een op de literatuur geïnspireerd conceptueel denkkader zes 3Ba-jury’s in zes verschillende disciplines. De conceptuele benaderingen systematiseerden de observaties en de analyses ervan. Er werd gekeken naar:

1.    de rol van leerdoelen en evaluatiecriteria bij de evaluaties,
2.    het subjectieve, objectieve en intersubjectieve karakter ervan,
3.    de verhouding van product- ten opzichte van procesevaluatie,
4.    de invloed van de student (haar/zijn betrokkenheid, persoonlijkheid, intenties) op de evaluatie van het werk,
5.    het summatief en formatief evalueren,
6.    de expliciterende feedback m.b.t. de evaluatie.

Via de analyse kwam een systematische beschrijving tot stand van een fenomeen dat beoordelaars in een kunst- en ontwerpgerichte context goed kennen zonder het daarom te kunnen expliciteren.

website by